Een zweefvliegwedstrijd is eigenlijk overlandvliegen in wedstrijdverband. Er wordt gevlogen in verschillende klassen, afhankelijk van hoe goed je vliegtuig is.

’s Ochtends bij de ‘briefing’ komt iedereen bij elkaar en wordt er van alles besproken, zoals de regels, het weer, en de opdracht. Alle vliegers in een klasse krijgen dezelfde opdracht. Dit is vaak een bepaalde route die ze zo snel mogelijk moeten afleggen. Vroeger moesten er onderweg foto’s gemaakt worden van herkenbare keerpunten om te bewijzen dat je overal geweest was, tegenwoordig heeft iedere vlieger een logger aan boord. Dit is een soort ‘zwarte doos’, die met behulp van satellieten precies registreert waar, wanneer, hoe snel en hoe hoog iemand was. ’s Avonds worden de loggers uitgelezen door de wedstrijdleiding en aan de hand daarvan wordt gekeken wie het snelst is geweest en de wedstrijd wint. Meestal bestaat een wedstrijd uit meerdere dagen: twee daagse wedstrijden in het weekeinde, vaak in het voorjaar, en verschillende kampioenschappen en kwalificatiewedstrijden van ongeveer twee weken, meestal in de zomer. Degene die aan het einde van de wedstrijd het meeste punten heeft wint de wedstrijd.