De start

Zweefvliegen is vliegen zonder motor. Door de juiste vorm van het vliegtuig en gebruik van thermiek kunnen zweefvliegtuigen (lang) blijven vliegen.
Om omhoog te gaan is er wat extra hulp nodig. Het vliegtuig heeft geen motor, dus zal het op een andere manier de lucht in moeten. Dit gebeurt met een lier of met een sleepvliegtuig.

Op de lier zitten een aantal ‘trommels’. Deze trommels zijn te vergelijken met het spoeltje van een naaimachine: een haspel met daar omheen gerold een 1200 m lange staalkabel, in plaats van het garen bij de naaimachine. Deze kabel wordt helemaal uitgerold en aan het uiteinde zit een systeem

S5000875

waarmee de kabel aan een haak in het vliegtuig wordt ‘gehaakt’. Als de piloot klaar is om te starten en de startbaan vrij is, wordt de kabel heel snel opgerold. Het vliegtuig versnelt in enkele seconden van 0 km/h tot ongeveer 110 km/h en dit zorgt voor genoeg energie om te vliegen: het vliegtuig komt los en wordt omhoog getrokken tot een hoogte van ongeveer 400 meter. Bovenin ‘ontkoppelt’ de piloot, de kabel valt naar beneden en de vlucht kan beginnen!


Een andere manier om te starten is met behulp van een motorvliegtuig. Bij deze startmethode worden het sleep- en zweefvliegtuig met elkaar verbonden door een touw. Als het motorvliegtuig start en gaat vliegen, sleept hij simpelweg het zweefvliegtuig mee omhoog. Als ze hoog genoeg zijn, ontkoppelt de zweefvlieger. Het motorvliegtuig gaat met kabel en al weer naar beneden om te landen en het zweefvliegtuig begint aan z’n vlucht.  Het grote voordeel van ‘slepen’ is dat je, zonder thermiek nodig te hebben, toch op grote hoogten kan komen en dus langer kan vliegen.

Bekijk hieronder een filmpje van het begin van de start:

 {mp4}k13 start{/mp4}

 

Een beetje aerodynamica

Dankzij de vorm van het vliegtuig, en vooral die van de vleugels, kan een zweefvliegtuig vliegen zonder een motor. De vleugel van een vliegtuig is een beetje ‘bol’: De afstand van de voor- naar de achterkant is aan de bovenkant dus langer dan aan de onderkant. De luchtdeeltjes die langs de vleugel stromen zullen aan de bovenkant dus sneller moeten gaan dan die aan de onderkant om toch tegelijk de achterkant van de vleugel te bereiken. Hierdoor ontstaat er een drukverschil, met een onderdruk boven de vleugel en een overdruk boven de vleugel; zo krijgt de vleugel draagkracht of ‘lift’ en blijft het vliegtuig zweven. Het belangrijkste is dus dat er lucht langs de vleugels blijft stromen: als er geen lucht langs de vleugels stroomt, is er geen draagkracht en verandert je vliegtuig in een ‘valtuig’. Deze luchtstroom krijg je vanzelf door snel genoeg te vliegen, en heeft niks met wind te maken. Dus wat wij doen ‘als de wind wegvalt’: gewoon lekker doorvliegen!
Dit is echter niet voldoende om ook hoogte te winnen: alleen de hoogte verkregen bij de start kan ‘er afgevlogen’ worden.

Gelukkig is er thermiek.

 

Onze ‘motor’: thermiek!

Thermiek is warme, opstijgende lucht. De zon warmt de aarde op, en zo ook de lucht daarboven. Warme lucht is lichter dan koude lucht, en daarom zal warme lucht opstijgen.

Zo krijg je zogenaamde ‘thermiekbellen’: kolommen warme, opstijgende lucht. Als je daarin rondjes gaat vliegen, stijgt je vliegtuig ook.

De vlieger kan gebruik maken van thermiekbel om grote hoogtes te bereiken. Door van de ene thermiekbel naar de andere thermiekbel te vliegen kunnen afstanden tot meer dan 1000 km worden afgelegd.

Een bijzondere vorm van zweefvliegen is het hellingvliegen waarbij de vlieger gebruik maakt van hellingstijgwind (wind die langs een berghelling omhoog stroomt) of golfstijgwind. In golfstijgwinden kunnen zeer grote hoogtes worden bereikt (boven de 10.000 m)