Een zweefvliegdag is lang, ook al is er geen of weinig thermiek. 's Morgens vroeg, tijdens de briefing, worden mededelingen gedaan over het weer en de vliegomstandigheden. De zweefvliegers luisteren aandachtig: zal een lange afstandsvlucht mogelijk zijn of worden het vandaag alleen maar acht-minuten-vluchtjes?

 

Dan brengen de leden de zweefvliegtuigen naar de startplaats. De lier, die de vliegtuigen aan een stalen of kunststof kabel omhoog trekt, wordt geïnspecteerd en opgesteld aan de andere kant van de startbaan. De ruim 1000 meter lange lierkabels worden met een trekker uitgereden van lier naar startplaats. Sommige clubs beschikken over een motorvliegtuig dat zweefvliegtuigen kan opslepen. De NijAC beschikt over een TMG (Touring Motor Glider) waarmeer op beperkte schaal ook sleepstarts worden uitgevoerd.

 

Alle vliegtuigen krijgen voor het begin van elke vliegdag hun (dagelijkse) inspectie, die wordt afgetekend in de bijbehorende papieren. Dan stapt de eerste vlieger in een éénzitter. De lierkabel wordt aangehaakt en het toestel gaat zacht suizend omhoog. Als het op een hoogte van 400 à 500 meter is, maakt de vlieger de kabel los en begint de vlucht.

 

Ook het lesbedrijf begint. Een leerling neemt voorin plaats in een tweezitter, de instructeur achterin. De cockpitkap gaat dicht en ook dit toestel gaat naar boven.

 

De vliegdag is begonnen!